|
Laatst gewijzigd: 2011-10-24, Versie: 3.0, Verantwoording: Werkgroep Oncologische Gynaecologie (WOG), Type: Landelijke richtlijn
Voor uitgebreidere omschrijving zie tabblad Literatuurbespreking.
Verplichte items pathologieverslag resectiepreparaat endometriumcarcinoom.
- Histologisch type volgens de WHO 2003, een eventuele 2e component moet vermeld worden.
- Histologische graad volgens de WHO 2003
- Invasiediepte uteruswand (zie literatuurbeschrijving voor uitgebreide beschrijving)
- Ingroei in de endocervix (zie literatuurbeschrijving voor uitgebreide beschrijving)
- Vaatinvasie
- Status resectievlakken
- Aantal lymfklieren en aantal lymfklieren met metastase, per klierstation, zoals door operateur aangeleverd
Optionele items pathologieverslag resectiepreparaat endometriumcarcinoom
- Vascular invasion associated changes (VIAC)
- Uitbreiding in tubahoeken
- Extranodale groei bij lymfkiermetastasen
Maligne tumoren
Endometriumcarcinoom
Classificatie:
- Endometrioid adenocarcinoom
- Mucineus adenocarcinoom
- Sereus adenocarcinoom
- Clearcell adenocarcinoom
- Samengesteld adenocarcinoom
- Plaveiselcel carcinoom
- Overgangsepitheel carcinoom
- Kleincellig carcinoom
- Ongedifferentieerd carcinoom
Adenocarcinoom van het endometrioide type is de meest frequente vorm (85%). Varianten van het endometrioide carcinoom zijn het endometrioide carcinoom met squameuze metaplasie (adenoacanthoom is een verouderde term), villoglandulair endometrioid adenocarcinoom, secretoir endometrioid adenocarcinoom en ciliair endometrioid adenocarcinoom. Het onderscheid in subtypen heeft geen prognostische betekenis maar zij moeten wel worden onderscheiden van sereus en clearcell adenocarcinoom. Omdat sereus en clear cell carcinoom geassocieerd zijn met een ongunstige prognose, is het van belang om dit type carcinoom te onderscheiden. Combinaties van endometrioid adenocarcinoom en andere typen adenocarcinoom maar vooral sereus type adenocarcinoom worden met enige regelmaat gezien. Als er een tweede component aanwezig is, dan moet deze in de conclusie genoemd worden. Gemengde tumoren waarin de sereuze component meer dan 25% van het tumorvolume inneemt gedragen zich klinisch als een sereus type carcinoom. 18 Er is een duidelijke trend waarneembaar (zeker in de VS) om iedere tumor met een sereuze component als sereus type adenocarcinoom te benaderen.
Gradering en invasiediepte
In het pathologieverslag moeten de volgende prognostische factoren worden genoemd: histologisch type, histologische graad, vaatinvasie en invasiediepte (intramucosaal, binnenste helft, buitenste helft, door serosa), uitbreiding naar endocervix (oppervlakkig of invasie in myocervix), sneevlakken, metastasen. Bij lymfogene metastasen dient dit per klierstation te worden beschreven. Daarnaast zijn er een aantal optionele parameters. De aanwezigheid van lymfoide infiltraten rondom lymfbanen (vascular invasion associated changes of VIAC) correleert sterk met lymfbaaninvasie door tumorcellen. Bij lymfklier metastasen kan de aan- of afwezigheid van extra-nodale groei vermeld worden. Uitbreiding naar de tubahoeken heeft geen directe invloed op het beleid. Toch kan het nuttig zijn om te weten of de tumor zich uitbreid via het tubalumen bij de interpretatie van de klinische presentatie met tumoren in de ovaria met als vraagstelling, dubbeltumor of metastase?
Ad ingroei in de endocervix: als praktische benadering bij beoordeling ingroei in de endocervix: beoordeel een coupe van de isthmus; indien deze tumor-positief is: beoordeel of er endocervicale buizen aanwezig zijn naasy de uitbreiding van het endometriumcarcinoom. Indien er in deze coupe van de isthmus endometriumcarcinoom en endocervical klierbuizen aanweizg zijn is er sprake van het endometriumcarcinoom in de endocervix; bij twijfel dienen coupes uit het endocervicale kanaal in de lengerichting genomen en beoordeeld te worden.
Ad invasiediepte: de overgang van endometrium naar myometrium is onscherp; cave overschatting van de aanwezigheid van invasie van het myometrium. De aanwezigheid van endometriumstroma (CD10-positief) rondom het als adenocarcinoom geduide epitheel sluit invasie in het myometrium uit. Een enkele keer is er sprake van multifocaal carcinoom in adenomyosehaarden, deze haarden tellen formeel niet mee bij het bepalen van de invasiediepte. Uiteraard dienen zij wel in het verslag te worden vermeld. De invasiediepte wordt gemeten als de afstand van de endo-myometriumovergang tot het diepste punt van invasie van de tumor; deze afstand wordt gerelateerd aan de dikte van het myometrium (d.w.z. de afstand van de endo-myometriumovergang tot de serosa), waarna een uitspraak gedaan kan worden of de tumor voorbij de helft van de dikte van het myometrium groeit (een criterium van belang voor evt. bestraling).
Ad histologische graad:
Graad I: 1-5% solide groei
Graad II: 5-50% solide groei
Graad III: >50% solide groei
Squameuze metaplasie en morula tellen niet mee bij de bepaling van het percentage solide groei. In geval van uitgesproken kernpolymorfie, niet passend bij de graad, een klasse opgraderen. Clearcell adenocarcinoom en sereus adenocarcinoom zijn per definitie graad III tumoren. 18 Het kan voorkomen dat het grootste tumorvolume zich in het curettement bevindt. In dat geval dient het curettement meegenomen te worden bij de beoordeling van de graad. Een klein resterend veldje graad II tumor in de uterus en een veel grotere massa graad I tumor (95%) in het curettement blijft een graad I tumor.
Differentiaaldiagnostische problemen:
Er zijn twee relatief frequente differentiaaldiagnostische problemen, die hier kort besproken worden:
- Simultaan voorkomen van een endometriumcarcinoom en een ovariumcarcinoom: de differentiaaldiagnose is tussen twee primaire tumoren of een primaire tumor met een metastase. Indien het ovarium de enige tumorlocalisatie buiten het endometrium zonder tumorlocalisaties op het buitenoppervlak is en er sprake is van een stadium I endometriumcarcinoom met slechts oppervlakkige invasie in het myometrium zonder vaatinvasie of uitbreiding in de tuba, hebben we vrijwel zeker te maken met een dubbeltumor. 89
- Corporeel versus cervicaal adenocarcinoom: er is een overlap in histologische kenmerken tussen adenocarcinoom van de endocervix en adenocarcinoom van het endometrium. In de meeste gevallen kan op basis van klinische kenmerken (bevindingen bij echografie; colposcopische bevindingen) en histologische kenmerken (bijv. aan- of afwezigheid van een in situ component (CIN of hyperplasie)) het onderscheid goed gemaakt worden. Bij twijfel kan aanvullend de aanwezigheid van HPV worden getest: vrijwel alle endocervixcarcinomen bevatten HPV; endometriumcarcinomen bevatten vrijwel geen HPV (bij grote uitzondering is HPV aantoonbaar in de squameuze metaplasie). Immunohistochemie geeft geen absoluut onderscheid maar in het algemeen zijn endometriumcarcinomen CEA-negatief en brengen de goed gedifferentieerde tumoren de oestrogeen- en progesteronreceptor tot expressie. Adenocarcinomen van de cervix zijn deels CEA-positief en vaak Er- en Pr-negatief.
|